Menu
nlenfrde
Sinds 1-1-2018 is dit het schrikbarend aantal kinderen van verstoten ouders:

Als we er niets tegen doen zullen er dit jaar nog eens 3368 kinderen de dupe worden van ouderverstoting, dat zijn gemiddeld 2 kinderen per uur!

Inmiddels 6 jaar geleden klom een aantal gerespecteerde advocaten in de pen & en de volgende open brief was daarvan het resultaat.

Dirk Lont, adviseur beleid at Raad voor de Kinderbescherming (policy advisor at the child protection board) :

“De wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is op 01-01-2015 in werking getreden. De ‘lichte ots’ is uit de definitieve wet gehaald. Het onderscheid tussen ontheffen en ontzetten uit gezag is weggehaald en heet nu gezag beëindigende maatregel. De discussie over waarheidsvinding wordt nog steeds gevoerd. Ja er wordt aan waarheidsvinding gedaan, want feiten worden geverifieerd. Nee er wordt niet aan waarheidsvinding gedaan, want politiemethoden van observatieteams en taps worden niet toegepast. In bovenstaand schema staat de toeziend voogd en die is in de vorige eeuw en vele wetswijzigingen geleden al afgeschaft.”

OPEN BRIEF AAN DE EERSTE KAMER

HERZIENING MAATREGELEN VAN KINDERBESCHERMING

Mr Ir P.J.A. Prinsen

Leiden, 4 april 2012.

Aan de leden van de Eerste Kamer.

Over het wetsontwerp Herziening maatregelen van Kinderbescherming heeft uw Kamer reeds een voorlopig verslag *1 uitgebracht. Het ontwerp behelst een verdergaande aantasting van de integriteit van het ouderschap, terwijl daadwerkelijke rechtswaarborgen in het Jeugdrecht in materiële zin in de praktijk nog altijd ontbreken. De Raad van State heeft negatief geadviseerd over het wetsontwerp. Om meerdere redenen is het belangrijk dat Uw Kamer het ontwerp niet aanneemt. Hieronder lichten wij dit standpunt toe. Daarbij beperken wij ons tot de twee hiervoor genoemde aspecten.

1. Autonomie

a. Directe ontzetting

In het wetsontwerp worden OTS en ontzetting uit het ouderlijk gezag omgekeerd. Kort gezegd: als toch niet te verwachten is dat de ouders binnen redelijke termijn de voor hun kind noodzakelijk geachte hulp zullen aanvaarden dan wordt de ondertoezichtstelling overgeslagen (art. 255 ontwerp) en kan direct het ouderlijk gezag worden “beëindigd” (art.

266 ontwerp).

b. “Opgroeiondersteuning”

De Tweede Kamer introduceerde bij amendement *2 op het oorspronkelijke wetsontwerp de maatregel van “opgroeiondersteuning” (art. 253z ontwerp). Maar de gestelde “bedreigde” ontwikkeling van het kind hoeft niet meer “ernstig” te zijn. Deze curieuze maatregel, die sterk lijkt op de OTS naar geldend recht maar dan zonder “ernstige” dreiging, wordt dan ook al door sommige auteurs aangeduid met “OTS-light”. De toevoeging “light” is echter zeer misleidend: het gaat niet om een lichte vorm van OTS, maar om lichtvaardiger gronden waarop die maatregel van onvrijwillig toezicht en gedwongen hulpverlening kan worden opgelegd. Dat is misschien goed om in een vroeg stadium vat te krijgen op echte probleemouders, maar het probleem met het voorstel is dat echte probleemouders pas herkenbaar zijn aan “ernstige” problemen. De integriteit van het ouderschap of, om het met een aan het strafrecht ontleende term te zeggen, de “onschuldpresumptie” wordt geschonden. Met de nieuwe wet wordt bij elk gezinsprobleem de oplossing ervan de ouders uit handen gerukt om het in de bureaucratische handen van een overbelaste gezinsvoogd te leggen. Het geschil dat dan ontstaat over gepaste hulp vormt als het escaleert ipso facto mede de formele grond voor een verderstrekkende maatregel.

*1 Kamerstuk 32 015 nr. B, Wetsontw.Herziening maatregel van Kinderbescherming

*2 Kamerstuk 32 015 nr.40, Amendement Dijsselbloem en v. Toorenburg

Er is ondertussen al een praktijk gegroeid waarbij ouders, die bij de Raad voor de Kinderbescherming in het vizier gekomen zijn maar tegen wie uiteindelijk geen maatregel wordt gerekwireerd, “verwezen” worden – zonder enige wettelijke grondslag – naar zogenaamd “vrijwillige” hulpverlening. Verweren ouders zich daartegen, bijvoorbeeld omdat zij geen hulp nodig hebben, omdat zij zelf al hulp hebben ingeschakeld of omdat er geen vertrouwen blijkt te bestaan in de opgedrongen hulp en/of hulpverlener, dan kan dit straks al leiden tot een maatregel van “opgroeiondersteuning” als opstapje naar de beëindiging van het ouderlijk gezag. Het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee de Raad onder het huidig recht buiten zijn bevoegdheden treedt stemt tot nadenken. Raad en Jeugdzorg plegen zich vast te bijten in een casus – is er geen wettelijke grond dan maar zonder wettelijke grond. Als ouders de Raad van zich af weten te schudden is dat altijd ten koste van een enorme langdurige druk op hun gezinsleven en enorme financiële offers die zij moeten brengen om zich adequaat te verweren.

Wat dan nog rest is de schade die zij in hun privé-omgeving hebben opgelopen. Een te lichtvaardig optreden van de Raad veroorzaakt een ernstig trauma.

c. Wat is de meerwaarde van het wetsvoorstel?

De plicht om bedreigde kinderen te beschermen tegen mishandeling, verwaarlozing en erger wordt op deze plaats volledig onderschreven. Maar de huidige wet biedt voldoende bescherming en hier wordt veelvuldig gebruik van gemaakt. Ook naar huidig recht (art. 800 lid 3 Rv) *3 kan een kind terstond uit huis worden geplaatst indien de behandeling van de zaak niet zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige kan worden afgewacht, met binnen twee weken een toetsing door de kinderrechter achteraf. Het is dan ook een drogreden om de voorgestelde wetswijziging te verdedigen met het argument dat er soms onvoorziene fatale incidenten plaatsvinden. Hoe we de wet ook veranderen, onvermijdelijke incidenten zullen er helaas blijven. Het meisje van Nulde (2001), Savanna (2004), het Maasmeisje (2006) – geen van deze drama’s zou voorkomen zijn als de voorgestelde wet destijds van kracht geweest zou zijn. Deze drama’s worden nochtans impliciet of expliciet, maar volkomen ten onrechte, aangevoerd door de voorstanders van het wetsvoorstel.

d. De ontvangst van het wetsvoorstel

De Raad van State *4 heeft over het ontwerp een negatief advies uitgebracht wegens de verruiming van de rechtsgrond die het ontwerp voorstelt. “Uit veel adviezen die naar aanleiding van het wetsvoorstel zijn uitgebracht blijkt dat zowel de professionaliteit van de gezinsvoogd als de kwaliteit van de uitvoering van de ots en van de voogdijen alsook de doeltreffendheid van de ots niet zijn toegenomen.”

*3 Dit artikel wordt te pas en te onpas misbruikt voor een z.g. “spoeduithuisplaatsing”, enkel om ouders van wie men verzet verwacht vóór te zijn.

*4 Kamerstuk 32 015 nr. 4, Advies Raad van State

Prof. Drs. Mr. Bruning *5 daarentegen verwelkomt het ontwerp in een artikel “De ondertoezichtstelling herzien – snellere bemoeienis met meer rechtswaarborgen”. Het is maar hoe je het bekijkt: zij is blijkbaar gepreoccupeerd met de pleegouders die een stem in het kapittel krijgen. Verwijzend naar onder meer de Onderzoekscommissie Samson (seksueel misbruik van uithuisgeplaatste kinderen) en onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg naar de veiligheid van pleegkinderen merkt Bruning op: “Dit alles wijst duidelijk in de richting van een klimaat waarin we liever te snel ingrijpen dan te laat: de roep om veiligheid voor kinderen in hun opvoedklimaat voert nu de boventoon. […] Het recht van de ouders (en ook van het kind) op een ongestoord gezinsleven [lijkt] naar de achtergrond te worden verschoven.” Een tegenovergestelde conclusie zou meer voor de hand liggen, namelijk dat je wel drie keer moet nadenken voordat je kinderen bij hun eigen ouders weghaalt om ze in zo’n voorziening of pleeggezin te plaatsen. Het heersende ‘klimaat’ kan men vanuit een ander perspectief heel anders interpreteren: er is een klimaat van toenemende maatschappelijke kritiek op het logge, almaar uitdijende, niet-toereikende karakter van de jeugdzorg. Er zijn de ernstige incidenten die voer zijn voor media en politici waardoor de bureaucratie zich voelt opgejaagd. Verder wordt publiekelijk de noodklok geluid *6,* 7,* 8* wegens het excessieve, grillige en chaotische karakter van het Jeugdzorgbeleid.

De bureaucratie daarentegen weet geen andere oplossing te bedenken dan méér macht, méér geld *9, kortom sneller ingrijpen, méér van hetzelfde. Dat is de bureaucratische oplossing. Het is echter zaak om buiten de bureaucratische tunnelvisie te treden en te streven naar meer ‘fine-tuning’ van het Jeugdrecht. Of, zoals de Raad van State het in zijn advies verwoordt: “Eerst zal de doeltreffendheid van de huidige ots moeten toenemen voordat aan uitbreiding van de reikwijdte van de ots en de verruiming van de mogelijkheden tot gezagsbeëindiging kan worden gedacht.” Verderop in dit artikel zal worden betoogd dat “fine-tuning” begint bij versterking in plaats van verdere verzwakking van het legaliteitsbeginsel in het Jeugdrecht. Een belangrijke rol voor deze fine-tuning is weggelegd voor de kinderrechters.

*5 Prof.mr.drs. M.R. Bruning, De ondertoezichtstelling herzien – snellere bemoeienis met meer rechtswaarborgen, Ars Aequi november 2011, p.779 e.v.

*6 Zie o.m. de “brandbrief” d.d. 4 december 2008 van de Rotterdamse groep “Bezorgde jeugdrecht-

advocaten” aan de rechtbank Rotterdam

*7 Zie de veelvuldige media-aandacht, zoals van Vara-ombudsman over “De macht van de gezinsvoogd”

*8 Advies van 10 april 2008 van de vFAS

*9 In 2010 bedroeg het budget voor de Provinciale Jeugdzorg anderhalf miljard (Bron: Knelpunten Jeugdzorg, Algemene Rekenkamer)

2. Rechtsbescherming

De macht van de kinderbeschermers wordt door het wetsvoorstel aanzienlijk uitgebreid ten koste van de autonomie van ouders. Maar hoe zit het nu met de rechtsbescherming van het ouderschap tegen al te lichtvaardige of opdringerige bureaucratische inmenging van AMK, Raad en/of Jeugdzorg?

Formeel is er een sluitend stelsel van rechtsbescherming. Volgens Doek/Vlaardingerbroek *10 “spreekt de rechter bij de beoordeling van een verzoek om een machtiging uithuisplaatsing in feite tevens een oordeel uit over het aan het verzoek ten grondslag liggende indicatiebesluit. Materieel komt het erop neer dat de kinderrechter het indicatiebesluit niet marginaal (kon Bjz in redelijkheid tot het indicatiebesluit komen?) maar volledig toetst, dat wil bij een toetsing van een indicatiebesluit (…) voor een uithuisplaatsing bijvoorbeeld zeggen of de gevraagde (machtiging tot) uithuisplaatsing (en dus de indicatie daartoe) voldoet aan de in artikel 1:261 BW [machtiging uithuisplaatsing, PP] vermelde gronden” *11.De praktijk laat iets totaal anders zien:

a. Opiniestuk NRC

In NRC Handelsblad van 19 maart 2011 verscheen een kritisch opiniestuk van ondergetekende onder de kop ‘Of beschuldiging waar is, doet er bij kinderrechter niet toe.’ Daarin werd, op basis van veel ervaringen uit eigen praktijk en conform de ervaringen van veel andere rechtshulpverleners *12, de noodklok geluid over het feit dat het in de praktijk van het Jeugdrecht niet gaat om de waarheid omtrent de aan een maatregel ten grondslag gelegde feiten, maar om het zogenaamde “niet-pluis-gevoel” van de Raad voor de Kinderbescherming c.q. Bureau Jeugdzorg en AMK. In het Handboek Deltamethode Gezinsvoogdij *13 wordt dit “niet-pluisgevoel” besproken als “eerste stap om onzichtbare, ongrijpbare informatie feitelijk en concreet te maken”. In de praktijk is dit geruisloos een eigen leven gaan leiden, zodat het ‘niet-pluisgevoel’ van de jeugdzorgwerker, onderbouwd met hypothetische ontwikkelingsbedreigingen, als grondslag geldt voor een verzoek tot OTS of UHP. De kinderrechter pleegt in de praktijk echter de (niet als hypothese, maar als feit gestelde) dreigingen niet materieel te toetsen, maar toetst het verzoek formeel: is, gegeven de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten, het verzoek tot OTS of UHP, gelet op de wet, voor toewijzing vatbaar.

*10 J.E. Doek en P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 2009, p.341

*11 Zie Conclusie OM vóór HR 10-6-2011 LJN: BP7001

*12 Zie o.m. de “brandbrief”.

*13 Mr.dr. A.J. Montfoort en Prof.dr. N.W. Slot, Handboek Deltamethode Gezinsvoogdij, Uitg: Van

Montfoort / PI Research, 2009, p. 85

Aanleiding voor het opiniestuk was een lezing van oud-kinderrechter Quik-Schuit waarin zij “waarheidsvinding” radicaal afwees als toetsingskader voor het Jeugdbeschermingsrecht. In het opiniestuk stuk verwees ik naar herhaalde doch door alle instanties genegeerde jurisprudentie van de Nationale Ombudsman waarin het ontbreken van waarheidsvinding wordt veroordeeld. Hoe gedocumenteerd ouders de voor een OTS of UHP aangevoerde gronden ook betwisten, overal stuiten zij op het mantra:

“Het gaat hier niet om waarheidsvinding. Waarheidsvinding is niet onze taak”. Dat horen zij expliciet bij AMK, Jeugdzorg, Klachtencommissie, Bezwaarschriftencommissie en, last not least, bij de kinderrechter. In civielrechtelijke termen: niet de materiële, maar de formele waarheid telt, of in bestuursrechtelijke termen: de kinderrechter toetst marginaal, ondanks het voorschrift gememoreerd in Doek/Vlaardingerbroek. In het opiniestuk werd ook gewezen op de “brandbrief” van Rotterdamse jeugdrechtadvocaten d.d. 4 december 2008 aan de Rechtbank Rotterdam, waarin deze ervaringen worden bevestigd en waarin uitwassen daarvan aan de kaak worden gesteld.

Ook werd gewezen op het artikel van Koens *14 , vicepresident Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die een bijzondere rol aan de (kinder)rechter toeschrijft als verantwoordelijke voor de waarheidsvinding in familiezaken: “In kinderbeschermingszaken is het een overheidsorgaan dat optreedt en een rechterlijke beslissing verzoekt met het oog op de bescherming van kinderen in het kader van hun verzorging en opvoeding door de ouder(s). […] De familierechter heeft meer dan de civiele rechter mogelijkheden om door inschakeling van derden op zoek te gaan naar de materiële waarheid. Dit geldt met name in familiezaken over onderwerpen waarvan de rechtsgevolgen niet ter vrije beoordeling van partijen staan en de belangen van de kinderen in het geding zijn. […] Daar waar dit niet lukt [het bereiken van een minnelijke schikking in familiezaken, P.P.] dient de familierechter actief en leidend *15 – uiteraard binnen de grenzen die het familie(proces)recht hem oplegt – de materiële waarheidsvinding tot uitgangspunt te nemen.”

b. Reactie van Slot in NRC Handelsblad

Op het oorspronkelijke opiniestuk werd gereageerd door prof. W. Slot, hoogleraar orthopedagogiek, Vrije Universiteit en medeauteur van eerdergenoemd “Handboek Deltamethode Gezinsvoogdij”. Slot noemt mijn bewering dat de kinderrechter waarheidsvinding niet toelaat “ronduit misleidend”. Slots bewering echter staat in schril contrast met het overstelpende aantal gevallen waarin kinderrechters “waarheidsvinding” openlijk afwijzen, en met de vaste jurisprudentie van de Nationale Ombudsman waarin de Raad voor de Kinderbescherming telkens wordt veroordeeld. Maar bovenal spreekt Slot zichzelf tegen: van de instanties in de jeugdbescherming kàn men niet verwachten dat zij aan “waarheidsvinding” doen. En generaliserend: “Wachten tot een ‘bewijs’ zich aandient, kan kinderen het leven kosten”, aldus Slot, daarmee mijn bestreden stelling zelf bevestigend.

*14 Mr.M.J.C. Koens, ‘De familierechter: een lijdelijk en/of leidend rechter?’, FJR 2006-5.

*15 Koens plaatst de kwestie in de sleutel van oprekking van de rechterlijke lijdelijkheid, maar

toepassing van bewijsregels, inclusief benoeming van gerechtelijk deskundigen, laat m.i. het

lijdelijkheidsbeginsel volledig intact.

c. Nationale Ombudsman in FJR

Deze polemiek, die zich afspeelde in een publieksmedium (NRC-Handelsblad), werd door de Nationale Ombudsman aangegrepen om het punt nu eens niet in een klachtrapport, maar in een artikel in FJR *16 aan de orde te stellen. Daarin wezen de auteurs (Van Zanten en Brennikmeijer) de benadering van Slot en Quik-Schuijt expliciet af en ontwikkelden zij een visie op de rol die waarheidsvinding wel degelijk behoort te spelen.

“Binnen de mogelijkheden moet alles worden gedaan om de waarheid te achterhalen wanneer de betreffende informatie van doorslaggevend belang is bij het nemen van ingrijpende beslissingen” […] “ omdat zonder voldoende inspanning om de waarheid te achterhalen mogelijk verkeerde beslissingen worden genomen die verstrekkende gevolgen kunnen hebben.”

Sindsdien is het stil gebleven.

3. Methodologie

Het lijkt goed om het discours in een breder perspectief te plaatsen en ons af te vragen wat de methodologie is of zou moeten zijn in het Familie- en Jeugdrecht.

Na het artikel van de Nationale Ombudsman, met de vermaning om alles te doen wat mogelijk is om de waarheid te achterhalen, kan men verzuchten: “Was dat maar het enige waar het aan schort, het niet actief achterhalen van de waarheid”. De werkelijkheid is veel ernstiger: ouders die wijzen op bizarre tegenstrijdigheden in de rapporten, of die met bewijzen komen omtrent de onwaarheid van de onbewezen beweringen die Jeugdzorg en Raad ten grondslag leggen aan de uithuisplaatsing van hun kind, krijgen bij de Kinderrechter vaak geen voet aan de grond. Het gaat soms zelfs nog verder: hoe meer zij opkomen voor de waarheid omtrent de feiten, hoe harder zij worden gedwarsboomd doordat Jeugdzorg hen ieder contact met hun uit huis geplaatste kind onthoudt, omdat zij in de ogen van de gezinsvoogd diens werk-in-het-belang-van-het-kind dwarsbomen.

a. Déjà vu : anno 1638 – « Eppur si muove »

“De aarde stáát niet stil in het midden van het universum. Ze draait om de zon!” Toen Galilei verkondigde dat hij met zijn “Hollandse kijker” (in 1608 in Middelburg uitgevonden) Copernicus’ heliocentrische theorie voor visuele waarneming toegankelijk had gemaakt en de door Copernicus voorspelde schijngestalten van o.a. de planeet Venus eindelijk zichtbaar had gemaakt, kwam hem dat te staan op vervolging door de Pauselijke Inquisitie. De theorie van Copernicus (vlak voor diens dood gepubliceerd in 1543 te Neurenberg) was een driekwart eeuw gedoogd als zijnde ‘slechts’ een rekenhulpmiddel, maar toen de waarheid omtrent de feitelijke stand van zaken in ons zonnestelsel door de bevindingen van Galileo onontkoombaar leek kon dat niet geaccepteerd worden door de hoeders van het ware geloof. Volgens hen draaide immers alles letterlijk om de mens als middelpunt van Gods schepping, conform het door de scholastiek omarmde Aristotelisch/Ptolomaeïsch model. Aanvaarding van Galilei’s waarnemingen als correct beeld van de werkelijkheid zou gevolgen hebben die niet waren te overzien. Gallilei werd gedwongen om zijn stelling over de om de zon draaiende aarde af te zweren.

Bij het afleggen van die eed moet hij volgens de legende onhoorbaar gefluisterd hebben: “Eppur si muove – En tòch beweegt ze”. Toen hij later toch weer de waarheid wilde publiceren kwam hem dat – in 1633 – te staan op levenslang huisarrest. Die apocriefe gefluisterde woorden staan sindsdien symbool voor de toegewijde verdediging van de waarheid en verzet tegen het obscurantisme van de Die apocriefe gefluisterde woorden staan sindsdien symbool voor de toegewijde verdediging van de waarheid en verzet tegen het obscurantisme van de machthebbers.

Het manuscript van Galilei’s “Discorsi” werd vanuit zijn huisarrest door de Amsterdamse uitgever Louis Elzevier *17 naar de Lage Landen gesmokkeld en in 1638 in Leiden gedrukt.

*16 Mr.M. van Zanten en dr.A.F.M. Brennikmeijer, Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming. FJR 2011 / 76, juli/augustus 2011, p. 197.

b. Déjà vu : Anno 1637 – «Je pense, donc je suis »

Een jaar daarvoor, in 1637, publiceerde de in datzelfde Leiden werkende alumnus *18 van de Leidse universiteit, René Descartes, zijn “Discours de la Méthode” *19 bij de Leidse uitgever Jean Maire *20. Descartes was bezeten van kennisleer en ervan overtuigd dat voor het verkrijgen van zekere kennis een strikte methodologie nodig was. “Je pense, donc je suis”, ik twijfel aan alles, maar één ding weet ik zeker: ik denk, en deze zekerheid neem ik als vertrekpunt om, discursief (stap voor stap), een samenhangende kennisleer op te bouwen.

Ook Descartes was zich bewust van de weerstand die hij zou oproepen met zijn pleidooi voor rationeel getoetste kennis. Zozeer aangeslagen was hij door de veroordeling van Galileo dat hij bijna had besloten de strijd voor methodologische verwerving van kennis op te geven en nooit meer te publiceren * 21.

Twee gevleugelde uitspraken, twee gebeurtenissen, die de opmars inluidden van een cultuur van rationaliteit en respect voor de waarheid als onmisbare grondslag voor beschaving, vreedzame samenleving en vooruitgang, en strijd tegen willekeur en barbarij, niet alleen in de wetenschap maar ook daarbuiten. Een cultuur die het streven naar zekerheid van onze kennis centraal stelt en koestert, en waaraan de weldenkende mens zich onderwerpt.

*17 Matthijs van Otegem, A Bibliography of the works of Decartes, diss. Utrecht, Utrecht: Zeno 2002

*18 Herman Philipse, De samenhang der wetenschappen, Rede uitgesproken in de Pieterskerk ter

gelegenheid van de 425e Dies Natalis van de Universiteit Leiden op 8 februari 2000

*19 “Discours de la Méthode pour bien conduire sa raison, et chercher la vérité dans les sciences”.

(“Verhandeling over de methode om de rede op de juiste manier te leiden en de waarheid in de

wetenschappen te zoeken”).

*20 Matthijs van Otegem, a.w. p. 4 e.v.

*21 E.J. Bos en H. van Ruler, red. Over de Methode. Nederlandse vertaling van en inleiding tot het

genoemd werk van Descartes. Boom uitg. 2011

Duidelijk onderscheid maken tussen feiten en meningen en rationeel-discursief redeneren is vandaag de dag een kwaliteitskenmerk van een professionele organisatie. Oordelen moeten gebaseerd zijn op deugdelijk vastgestelde feiten en daaruit logisch voortvloeien. Blijken de feiten later niet te kloppen, dan moet het eerdere oordeel bijgesteld kunnen worden en moeten gevolgen zo goed mogelijk ongedaan worden gemaakt.

Deze wijsheid is voor de weldenkenden onder ons vanzelfsprekend, maar we moeten niet vergeten dat het een verworvenheid is van vier eeuwen Verlichting en filosoferen over methodologie. In alle rechtsgebieden worden deze uitgangspunten gehuldigd, behalve … in het Familie- en Jeugdrecht.

c. Rechtsmethodologie

In de 19-de eeuw heeft het moderne recht zich ontwikkeld. Het 19-de eeuwse procesrecht met zijn contentieuze vorm (conventie en reconventie), discursieve bewijsrecht, waarheidsvinding en motiveringsplicht, dit alles steunend op het legaliteitsbeginsel (het materiële recht), is rechtsmethodologie in basale vorm, voorafgaand aan de heuristische fase, die heden ten dage vooral voorwerp is van rechtsmethodologisch onderzoek.

Al deze vormen, ontwikkeld in het contentieuze recht, kunnen natuurlijk niet één-op-één gekopieerd worden in het voluntaire recht. Maar hoe rechtvaardigt het Jeugdrecht het om deze basale methodologische uitgangspunten spoorloos te laten verdwijnen en daarmee terug te keren naar vóór-Cartesiaanse tijden? Het antwoord hierop is gegeven door prof. W. Slot in zijn hiervoor geciteerde reactie op het kritisch opiniestuk in de NRC: “Wachten tot een ‘bewijs’ zich aandient, kan kinderen het leven kosten”. Blijkbaar is het totale afwijzen van waarheidsvinding, de hoeksteen van de rechtsmethodologie en de onmisbare link naar de legaliteit van het recht, net als ten tijde van de Inquisitie gebaseerd op angst en gemakzucht. Dan is de verleiding groot om de bestaande rechtswaarborgen te verminderen vanwege de ernst van het vermeende vergrijp en uit angst dat potentiële probleemouders zomaar hun gang kunnen gaan.

“Ieder geval van kindermishandeling is er één te veel” is één van de demagogische mantra’s van degenen die de legaliteit in het Jeugdrecht maar een lastige opgave vinden. Wat zij zeggen klopt, maar ieder geval van onterechte uithuisplaatsing is er eveneens een te veel en, wat erger is, het veroorzaakt overbelasting van het systeem waardoor mogelijkerwijs veel in hun ontwikkeling bedreigde kinderen onopgemerkt blijven doordat mankracht verspild wordt aan het rondkrijgen of handhaven van te vaag gemotiveerde en protest oproepende interventies.

d. Semantiek: ‘waarheidsvinding’ of ’materiële toetsing’

De inmiddels in veel publicaties ingeburgerde term ‘waarheidsvinding’ is ontleend aan het strafrecht. Protagonisten hanteren deze term om aan te geven dat zij de materiële waarheid (de “werkelijke” waarheid) als uitgangspunt eisen en niet de formele waarheid (dat wat gesteld wordt). In het Jeugdrecht stuit de term ‘waarheidsvinding’ op veel weerstand. Met dedain verwijzen zowel Quick-Schuijt als Slot, met een puur semantisch argument, de term naar de prullenmand – en daarmee de eis als zodanig.

Beter zou zijn om het discours toe te spitsen op het verschil tussen formele en materiële toetsing. Wat de protagonisten eisen als zij het over ‘waarheidsvinding’ hebben is: ‘materiële toetsing door de kinderrechter’. Dat is een serieuze eis die een inhoudelijk antwoord zonder demagogie verdient.

Hoe stringent die toetsing moet zijn is een andere vraag. In feite dient het te gaan om een voldoende mate van aannemelijkheid omtrent de feiten, verkregen naar een in verhouding tot de beoogde rechtsmaatregel voldoende inspanning (waaronder serieuze aandacht voor goed onderbouwde betwisting van de gestelde feiten) om de waarheid boven tafel te krijgen.

e. Handboek Deltamethode Gezinsvoogdij

Het Handboek Deltamethode Gezinsvoogdij is een instructieboek ten behoeve van o.a. een uniforme werkwijze van de gezinsvoogden. Het wil aanzetten tot “werken met het plan [van aanpak] op tafel” (p. 108).

Pagina 1 van het veel gehanteerde modelplan-van-aanpak oogt zeer pragmatisch en lijkt oplossingsgericht. Het gaat om 4 vragen: “In dit plan staat waarom de OTS is uitgesproken [1], wat er nodig is om de OTS te kunnen beëindigen [2], wat alle partijen gaan doen om dit te bereiken [3] en waaraan iedereen zich moet houden [4]”. Maar de uitwerking van elk van de vier vragen is uiterst probleem zoekend en vaag, concreetheid ontwijkend, aan het eind culminerend in de vraag naar de “gewenste ontwikkelingsuitkomst”. Dit soort vragen nodigt uit tot platitudes zoals “groeit op in een veilige opvoedingssituatie”. Het ‘plan van aanpak’ is dan ook niet meer dan een verplicht nummer dat nu eenmaal moet worden ingevuld. Het Handboek heet echter een “methode” te zijn. Wordt er dan geen controle uitgeoefend om te voorkomen dat gebruikers zich ervan af maken met platitudes? Met een op die manier ingevuld ‘plan op tafel’ valt waarachtig niet te werken en is de Deltamethode Gezinsvoogdij een mislukt project.

Het “werken met het plan op tafel” blijkt verder te stuiten op ernstig communicatieproblemen. Op pagina 69 van het Handboek heeft de gezinsvoogd namelijk geleerd: “De ots is uitgesproken, omdat de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd. Deze bedreiging is aangetoond in het onderzoek door de raad en dit is getoetst door de rechter”. Wat de gezinsvoogd echter niet heeft geleerd is, wat het verschil is tussen formele en materiële toetsing. Wat hem níet is geleerd is, dat het waarheidsgehalte van de aan het verzoek ten grondslag gelegde hypothetische feiten allerminst is getoetst, zodat bij de bespreking van de vraag waarom de ots is uitgesproken (vraag 1 van het plan van aanpak) niet volstaan kan worden met “de raad heeft het onderzocht en de rechter heeft het getoetst”. Die vraag dient ten volle inhoudelijk besproken te worden (sterker nog: had al bij het uitspreken van de OTS door de kinderrechter materieel getoetst moeten zijn). Het Handboek, met zijn juridisch potjeslatijn, leidt op tot een sergeantenmentaliteit: veel macht voor de gezinsvoogd maar weinig diepgang. Wie als jurist ooit heeft geprobeerd een gesprek met een gezinsvoogd te voeren stuit op een Begriffsjurisprudenz die ieder overleg, iedere nuancering onmogelijk maakt. De ouder die de gestelde feiten blijft weerleggen heet ‘niet-coöperatief’.

De enige instantie die dit structurele probleem van het Jeugdrecht de wereld uit zou kunnen helpen is de kinderrechter. Ernst maken met materiële toetsing zou een saneringsoperatie van ongekende omvang betekenen voor het Jeugdrecht.

f. Legaliteitsbeginsel

Het legaliteitsbeginsel verlangt dat het machtswoord van de rechter steunt op duidelijke, concretiseerbare normen. Vage termen en open normen verzwakken het legaliteitsbeginsel. Dat behoeft niet altijd een onoverkomelijk bezwaar te zijn, maar “wel dient de wetgever kritisch te worden gevolgd ten aanzien van de concrete voorziening die hij treft, met name of in het specifieke geval het beschermingsaspect niet in te vergaande mate wordt opgeofferd aan het instrumentele facet”, aldus ‘t Hart in een essay *22 uit 1978. Laten we nu de ontwikkeling in het Jeugdrecht eens bezien. In de 80-er jaren moest een kind zodanig opgroeien dat het met de zedelijke of lichamelijke ondergang werd bedreigd wilde sprake kunnen zijn van een OTS. Dat was al een containerbegrip, maar de rechtspraak eiste toen concrete feiten die daarop wezen. Thans heet het dat “zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, enz.” Vager en meer open kan het haast niet. Het is een terminologie “die niet zonder inbreng van de pedagogische wetenschappen kan worden geïnterpreteerd.” * 23 Gemakshalve worden dan ter concretisering maar hypothetische feiten aangevoerd en de rechtspraak neemt daar genoegen mee. In het nieuwe wetsontwerp vervalt (bij de maatregel van opgroeiondersteuning) zelfs het woord “ernstig”. In termen van ’t Hart: het rechtsbeschermend aspect is hier opgeofferd aan het instrumentele facet.

Het Jeugdbeschermingsrecht vertoont trekken die in het verleden de strafrechtspleging karakteriseerden. In het genoemde essay uit 1978 refereerde ’t Hart aan een studie van de Franse filosoof Michel Foucault * 24 uit 1975 met betrekking tot het strafrecht onder het ancien régime. “De strafrechtspleging was tegelijkertijd zowel zwak en ontoereikend, als excessief.” Dat veranderde na de Franse revolutie. Een belangrijke rol was weggelegd voor versterking van het legaliteitsbeginsel: “Het grillige en chaotische karakter van de strafrechtspleging moest plaats maken voor een goed georganiseerd, fijnvertakt, rationeel en efficiënt strafrechtsbedrijf. […] In wetten moesten glasheldere omschrijvingen worden opgenomen van die handelingen die delicten opleverden […] Als keerzijde daarvan kon het machtsvertoon van de zich in de straf wrekende vorst komen te vervallen. Humanisering dus van de straf : maar niet alleen uit een nieuw gewonnen besef van menselijkheid, doch om tot een meer stringente en constante beheersing van de maatschappij te komen.”

* 22 A.C. ’t Hart, Artikel 25 WVW en het legaliteitsbeginsel (1978), in Idem, Strafrecht en beleid. Essays, Leuven/Zwolle 1984, 2e dr., p. 207

* 23 M.R. Bruning, t.a.p. blz. 282

Zowel zwak en ontoereikend, als excessief – dat is precies wat het hedendaagse Jeugdrecht kenmerkt.

Vertaald naar het Jeugdrecht zou dit betekenen: beter beschermen van kinderen door rationalisering en versterking van het legaliteitsbeginsel in het Jeugdrecht. Dat staat diametraal tegenover de in het wetsontwerp 32 015 voorgestelde remedies die het zwakke en ontoereikende Jeugdrecht nòg excessiever en repressiever maken.

Om met de Raad van State te spreken:

“Eerst zal de doeltreffendheid van de huidige ots moeten toenemen voordat aan uitbreiding van de reikwijdte van de ots en de verruiming van de mogelijkheden tot gezagsbeëindiging kan worden gedacht.” Daarbij moeten wij niet denken aan nòg meer Deltamethodes, maar aan versterking van het legaliteitsbeginsel in het Jeugdrecht door materiële toetsing.

Het is te hopen dat het in de Eerste Kamer reeds kritisch besproken wetsontwerp wordt afgewezen.

Hoogachtend,

Mr. Ir. Peter Prinsen, oud-advocaat te Leiden

Mevr.Mr .M. Dorgelo, advocaat te Amsterdam

Mr. J.J.J.M. van Ruth, advocaat te Eindhoven

Mevr. Mr. H.J.K. Wulp, advocaat te Groningen

Mevr. Mr. P. van de Kolk, advocaat te Haarlem

Mr. H.F.M. Struycken, advocaat te Amsterdam

Mevr. Mr. K.J. Slump, advocaat te Leersum

Mr. W.J.L. Zwaan, advocaat te Utrecht

Mevr. Mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse

Mevr. Mr. P. Lesquillier, advocaat te Utrecht

Mr. A.F. Th. M. Heutink, advocaat te Gennep

Mevr. Mr. I. Wagenaar, advocaat te Groningen

Mr. M. Jansen, advocaat te Amsterdam

Mevr. Mr. G.W. Mettendaf, advocaat te Amsterdam

Mevr. Mr. M. Saaidi, advocaat te Amsterdam

Mr. R. Kaya, advocaat te Enschede

Mr. J.A.C. Verheyden, advocaat te Utrecht